Fraude?! Verzekeraar mocht onderzoek instellen, niet onrechtmatig in het licht van Gedragscode Persoonlijk Onderzoek

Rechtbank Den Haag 25 mei 2016

Deelgeschil. Oplichting. Vraag of persoonlijk onderzoek door WAM-verzekeraar onrechtmatig is in het licht van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek. Verzekeraar mocht onderzoek instellen en op basis van de uitkomsten de onderhandelingen eenzijdig beëindigen. Verzoek wordt afgewezen.

Verzoek Rechtbank
 [verzoeker] verzoekt de rechtbank – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

te verklaren voor recht dat het namens Nationale-Nederlanden tegen [verzoeker] ingestelde persoonlijke onderzoek onrechtmatig is te achten en dat met de inhoud van het bedoelde onderzoek geen rekening dient te worden gehouden;

 

  • Gronden voor instellen verzoek: De rechtbank is van oordeel dat aan beide in artikel 1.1. van de gedragscode genoemde (alternatieve) vereisten voor het instellen van een persoonlijk onderzoek voldaan. Uit de feitelijke gang van zaken, zoals hiervoor uiteengezet, blijkt dat [verzoeker] herhaaldelijk tegenstrijdige en niet sluitende verklaringen heeft afgelegd in verband met het leggen van het laminaat. Die omstandigheid bracht niet alleen mee dat verdere informatie van [verzoeker] niet langer zonder meer als betrouwbaar kon worden aangemerkt en via hem dus niet langer het benodigde uitsluitsel kon worden verkregen, maar ook dat er gerede twijfel was ontstaan over de juistheid en volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek. …
  • Proportionaliteits- respectievelijk subsidiariteitsbeginselDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de financiële belangen van Nationale-Nederlanden, de gerede twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verzoeker] , en de beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] (een observatie van uur in een openbare ruimte, waarvan slechts een klein gedeelte is gefilmd), het belang van Nationale-Nederlanden bij waarheidsvinding zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] bij het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
    Voor zover [verzoeker] subsidiair heeft aangevoerd dat Nationale-Nederlanden had kunnen volstaan met het opvragen van nadere informatie bij hem, geldt dat op het moment dat Nationale-Nederlanden tot het persoonlijk onderzoek besloot, zij [verzoeker] niet langer als een betrouwbare bron van informatie hoefde aan te merken en juist om die reden mocht overgaan tot een persoonlijk onderzoek.
  • beslissing genomen door leidinggevende of afdeling veiligheidszaken: Anders dan [verzoeker] ongemotiveerd stelt, blijkt uit de door Nationale-Nederlanden in het geding gebrachte informatie dat het besluit om over te gaan tot een persoonlijk onderzoek door een fraudecoördinator is genomen, waarmee is voldaan aan artikel 4.3 van de gedragscode.
  • Uitgevoerde observatie en gemaakte video-opnamen: De observatie heeft plaatsgevonden in een restaurant, een openbare ruimte, terwijl uit de observatiebeelden duidelijk blijkt dat uitsluitend dagelijkse werkzaamheden en/of gedragingen van [verzoeker] zijn geobserveerd. Daarmee heeft Nationale-Nederlanden voldaan aan artikelen 7.3 en 7.4 van de gedragscode en mocht zij overgaan tot de door haar uitgevoerde observatie.
  • Voorwaarden die aan een onderzoeksbureau worden gesteld: Zonder nadere onderbouwing betwist [verzoeker] dat het door Nationale-Nederlanden ingeschakelde onderzoeksbureau [X] voldoet aan de in artikel 8.4 van de gedragscode opgenomen voorwaarden. Nationale-Nederlanden heeft echter onbestreden gesteld dat [X] een licentie heeft van het Ministerie van Justitie en dat zij is ingeschreven bij het College Bescherming Persoonsgegevens, thans de autoriteit Persoonsgegevens, die toezicht houdt op naleving van onder meer de Wbp. [verzoeker] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schending van artikel 8.4 van de gedragscode.
  • Geen mededeling aan [verzoeker] van opdracht tot onderzoek aan een onderzoeksbureau: Nationale-Nederlanden wijst er terecht op dat artikel 8.5 van de gedragscode niet voorschrijft dat [verzoeker] voorafgaand aan het persoonlijk onderzoek geïnformeerd moest worden over de inzet van [X] . Daartoe is redengevend dat wanneer een observatie vooraf wordt aangekondigd, die aankondiging ertoe zal leiden dat de te observeren persoon zijn gedrag zal aanpassen en niet meer ‘onbevangen zichzelf’ zal zijn. Nu Nationale-Nederlanden [verzoeker] voorafgaand aan het (confrontatie)gesprek op 22 juli 2015 over de inzet van [X] is geïnformeerd, heeft Nationale-Nederlanden ook voldaan aan artikel 8.5 van de gedragscode.
  • Eindconclusie: Uit het voorgaande volgt dat Nationale-Nederlanden niet in strijd met de gedragscode heeft gehandeld, zodat de resultaten van het persoonlijk onderzoek gebruikt mogen worden bij de behandeling van de schadeclaim. Dit leidt ertoe dat het onder 3.1 sub a genoemde verzoek zal worden afgewezen.
 Nationale-Nederlanden te veroordelen om de onderhandelingen met [verzoeker] weer op te pakken en tezamen met [verzoeker] over te gaan tot verdere regeling van de door hem geleden letselschade;

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoeksrapport een zodanige hoeveelheid bewijsmateriaal bevat waaruit volgt dat [verzoeker] in strijd met de waarheid verklaringen heeft afgelegd, dat aan de verklaringen van [verzoeker] , waaronder zijn (nieuwe) schriftelijke verklaring, overgelegd als productie 27 bij verzoekschrift, geen bewijswaarde kan toekomen (nog ongeacht het feit dat ook de voornoemde schriftelijke verklaring niet de gewenste duidelijkheid brengt). Uit het onderzoeksrapport, in het bijzonder de daarin opgenomen foto’s van [verzoeker] van na de ongevalsdatum, afkomstig van zijn Facebookpagina en Instagramaccount en de Facebookpagina van restaurant […] , blijkt in het geheel niet dat [verzoeker] (lichamelijk) beperkt is. Illustratief daarvoor is de foto van zijn vakantie in augustus 2014, waarop hij in zijn zwembroek en met een getraind lichaam (en zonder enige zichtbare inspanning) onder elke arm één van zijn dochters van toen 3 en 4 jaar oud optilt. Ook uit de vele foto’s waarop hij werkend (als kok in de keuken van) het restaurant staat afgebeeld en de video-opnamen, blijkt dat [verzoeker] ook na het ongeval werkzaam is geweest. Het betoog van [verzoeker] , dat er op neerkomt dat hij feitelijk geen werkzaamheden verrichtte en uitsluitend in het restaurant aanwezig was als klantentrekker omdat hij een “bekend persoon was”, wordt gelogenstraft door de foto’s waarop hij werkend staat afgebeeld, en dat betoog is daarmee ongeloofwaardig.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat Nationale-Nederlanden naar aanleiding van het onderzoeksrapport met recht de onderhandelingen heeft afgebroken en eenzijdig de zaak heeft beëindigd. Het onder 3.1 sub 2 genoemde verzoek ligt daarmee voor afwijzing gereed.

 Nationale-Nederlanden te veroordelen tot betaling van de door de voormalige en de huidige belangenbehartiger van [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv en zoals in het verzoekschrift begroot op een bedrag ad € 15.000,36 te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van de indiening van het verzoekschrift tot de dag der algehele voldoening;

Voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke kosten is de rechtbank van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de dubbele redelijkheidstoets meebrengt dat aansluiting wordt gezocht bij de PIV-staffel, zoals door Nationale-Nederlanden betoogd in het kader van haar zelfstandig tegenverzoek. De rechtbank zal in verband met het onder 3.1 sub 3 genoemde verzoek de buitengerechtelijke kosten dan ook vaststellen op het door Nationale-Nederlanden voorgerekende bedrag van € 2.571 (inclusief BTW), berekend op basis van het door Nationale-Nederlanden uitgekeerde schadebedrag van € 4.000, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 18 december 2015 en Nationale-Nederlanden veroordelen tot betaling daarvan.

Nationale-Nederlanden te veroordelen om tot betaling van de door [verzoeker] nog te maken buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv en zoals in het verzoekschrift begroot op een bedrag van € 3.500, subsidiair deze kosten in goede justitie te begroten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de beschikking tot de dag der algehele voldoening.  Mr. Quispel heeft de totale kosten deelgeschil (deels gevorderd als buitengerechtelijke kosten onder 3.1 sub c; deels gevorderd als toekomstige kosten onder 3.1 sub d) begroot op € 8.495,95 (27,6 uur à € 240 per uur, exclusief 6% aan kantoorkosten en 21% aan BTW). Nationale-Nederlanden heeft als verweer gevoerd dat de omvang van de bestede uren bovenmatig is.

Met Nationale-Nederlanden is de rechtbank van oordeel dat Quispel ten onrechte een aantal van 5,7 uur vordert die kwalificeren als buitengerechtelijke kosten en als zodanig niet als kosten deelgeschil kunnen worden gevorderd. Daarnaast is de rechtbank gezien de juridische complexiteit van de zaak en de omvang en inhoud van het verzoekschrift het resterende begrote aantal uren (21,9) bovenmatig is en begroot de uren op grond van de dubbele redelijkheidstoets op 17,5 uur. Dat leidt ertoe dat de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 5.161,28 (17,5 uur x € 240, vermeerderd met 6% kantooropslag en 21% BTW + € 78 aan betaald griffierecht).

Is het redelijk om de kosten rechtsbijstand (ook een schadepost) te betalen bij een claimant die volgens de rechtbank fraudeert? Die vraag stellen is ‘m ook beantwoorden. Begroten kosten deelgeschil is natuurlijk wel passend.;