Om te kunnen oordelen over whiplash en causaal verband met ongeval moet deskundige wordt ingeschakeld, hetgeen buiten reikwijdte deelgeschil valt

rechtbank ‘s-Gravenhage 20 januari 2012, LJN: BV6894
Verzoeker is in 2008 met geringe snelheid van achteren aangereden. Aansprakelijkheid erkend door Delta Lloyd (verweerster). Whiplashklachten. Verzoek tot verklaring voor recht dat direct causaal verband bestaat tussen ongeval en letsel, klachten en verlies arbeidsvermogen, met veroordeling in de kosten van dit geding.  
De rechtbank oordeelt dat de door verzoeker ingebrachte stukken – gezien het gevoerde verweer – onvoldoende zijn om nu inhoudelijk te kunnen beslissen. Ook de predispositie van verzoeker is hierbij van belang. Het is noodzakelijk dat een deskundige wordt ingeschakeld, maar dat valt buiten de reikwijdte van dit deelgeschil. De rechtbank geeft partijen in overweging om buiten rechte in zee te gaan met een neuroloog en eventueel een (neuro)psycholoog. Het verzoek wordt afgewezen, met begroting van de kosten.

De rechtbank zal blij zijn geweest dat de hete whiplashaardappel kon worden teruggelegd op het bordje van partijen.

4.De beoordeling
4.1.In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w-1019cc Rv.

4.2.De deelgeschilprocedure biedt volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. Zij krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Daartoe zal beoordeeld moeten worden of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure (31518, nr. 3, p. 10).

4.3.Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht dient, om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek, eerst te worden beoordeeld of de door [verzoeker] gestelde (whiplash)klachten bestaan en vervolgens of deze door het ongeval zijn veroorzaakt. Daarna kan pas toe worden gekomen aan de vraag over het al dan niet bestaan van beperkingen. Het bestaan van de klachten en het oorzakelijk verband tussen deze klachten en het ongeval dient [verzoeker] te bewijzen, hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is. Inherent aan whiplashklachten is echter dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn, omdat bij deze klachten een anatomisch substraat ontbreekt. Voor het bewijs van whiplashklachten is dan ook niet vereist dat deze klachten worden ‘geobjectiveerd’. Dat wil zeggen dat niet vereist is dat de klachten met gebruikmaking van de in de reguliere gezondheidszorg algemeen aanvaarde onderzoeksmethoden en overeenkomstig de door de desbetreffende medische beroepsgroep vastgestelde standaarden en richtlijnen worden vastgesteld. Zoals ook door Delta Lloyd wordt aangevoerd is voldoende dat objectief kan worden vastgesteld dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn wanneer uit een deskundigenrapport volgt dat de klachten niet gesimuleerd of overdreven zijn. Het bewijs van subjectieve gezondheidsklachten kan echter ook op andere wijze worden geleverd. Dat uit een deskundigenrapport volgt dat de klachten niet in de hiervoor vermelde medische betekenis kunnen worden ‘geobjectiveerd’, betekent dus ook niet dat het bewijs van het (in juridische zin) bestaan van de klachten niet geleverd kan zijn.

4.4.Indien het slachtoffer het bestaan van zijn subjectieve gezondheidsklachten heeft aangetoond, mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen deze klachten en het ongeval geen hoge eisen worden gesteld, althans niet in die zin dat een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten voor het bewijs van het oorzakelijk verband is vereist. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband veelal geleverd zijn (recent Gerechtshof Leeuwarden 2010, LJN BN3975, JA 2010, 152).

4.5.[verzoeker] heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij klachten heeft die zijn ontstaan door het ongeval, overzichten van de huisarts, informatie van zijn bedrijfsarts, een uitgebreid verslag van zijn behandeld revalidatiearts, een kort verslag van de behandelend gezondheidspsycholoog en rapportages van Margolin betreffende zijn reïntegratie overgelegd. Daarnaast zijn stukken van het UWV overgelegd, zoals onderzoeksverslagen van de verzekeringsarts, rapportages van arbeidsdeskundig onderzoek en specificaties van de door [verzoeker] ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gezien de gemotiveerde betwisting van Delta Lloyd kan op basis van deze stukken naar het oordeel van de rechtbank nu echter nog geen beslissing worden genomen ten aanzien van het bestaan van de whiplashklachten en het bestaan van een causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. In de eerste plaats is daartoe van belang dat een oordeel van een behandelend arts veelal is gebaseerd op de informatie die door de patiënt zelf is verstrekt (anamnese), waarbij niet per definitie is onderzocht of de door de patiënt verstrekte gegevens juist zijn. Daarbij komt dat een verzekeringsarts, een revalidatiearts en een arbeidsdeskundige niet gelden als specialisten ten aanzien van het diagnosticeren van (whiplash)klachten. Dat er klachten bestaan is dan ook, mede gelet op de geringe botssnelheid en de omstandigheid dat de bestuurster van de auto die op de auto van Delta Lloyd is gedrukt geen letsel heeft opgelopen (hetgeen door [verzoeker] niet is betwist), nog niet komen vast te staan.

4.6.Voorts is van belang dat [verzoeker], zoals hij zelf ook aangeeft, op tweejarige leeftijd polio heeft gekregen en ook ten tijde van het ongeval nog klachten ondervond als gevolg van zijn polioverleden. [verzoeker] kampte daardoor reeds voor het ongeval met vermoeidheidsverschijnselen, die er onder meer toe leidden dat hij tijdens zijn werk vaak een ‘powernap’ moest nemen. In de verslagen van de revalidatiearts is bovendien opgenomen dat [verzoeker] ook na het ongeval kampt met klachten in verband met dit polioverleden, zoals acceptatie- en verwerkingsproblemen. Op basis van de overgelegde stukken kan dus eveneens niet worden vastgesteld dat [verzoeker] de klachten voor het ongeval niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.

4.7.Uit het bovenstaande volgt dat om een beslissing te kunnen nemen op de vraag of de gestelde klachten bestaan en deze in causaal verband staan met het ongeval een deskundige zal moeten worden geraadpleegd. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet past binnen het kader van de deelgeschilprocedure. Mede gelet op de diverse geschilpunten die hierna nog tussen partijen kunnen ontstaan, nu zij aan het begin van het traject van de onderhandelingen zitten, en er concrete aanwijzingen ontbreken dat zij na een beslissing op het verzoek tot een vaststellingsovereenkomst zouden kunnen komen, is de rechtbank namelijk van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst daardoor niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Het verzoek zal dan ook op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.

4.8.Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het voorgaande niet betekent dat [verzoeker] geen klachten heeft en er geen sprake is van een causaal verband tussen deze klachten en het ongeval. Dit zal echter pas kunnen worden vastgesteld na een deskundigenadvies. De rechtbank stelt partijen dan ook voor buiten rechte in gezamenlijkheid een neuroloog aan te zoeken. Voorts zou onderzoek door een (neuro)psycholoog nodig kunnen zijn. Daarna zou, indien uit de rapportage(s) zou blijken dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval klachten heeft opgelopen,

verzekeringsgeneeskundig en/of arbeidsgeneeskundig onderzoek in de rede kunnen liggen ter vaststelling van de als gevolg van de klachten ontstane beperkingen.

Kosten
4.9.Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde vande persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van deze laatste situatie is in dit geval echter geen sprake. Redengevend daarvoor is dat de Wet Deelgeschillen geen concrete aanknopingspunten bevat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een deelgeschil en de parlementaire geschiedenis het begrip deelgeschil zeer ruim uitlegt, maar de concrete invulling van dat begrip aan de rechtspraak is overgelaten. Gelet op de betrekkelijk korte tijd dat de Wet Deelgeschillen in werking is, is van een vaste lijn in de rechtspraak over het begrip deelgeschil geen sprake. Tegen deze achtergrond behoefde het, anders dan Delta Lloyd naar de rechtbank begrijpt betoogt, [verzoeker] niet op voorhand duidelijk zijn geweest dat het verzoek geen kans van slagen had. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.

4.10.Mr. Linders heeft aangevoerd € 8.105,75 aan kosten te hebben gemaakt (27,03 uur) en is daarbij uitgegaan van een uurtarief van € 240,–, 5% kantoorkosten en 19% BTW De rechtbank is echter met Delta Lloyd van oordeel dat de door mr. Linders voor het opstellen en verbeteren van het verzoekschrift in rekening gebrachte tijd bovenmatig is gezien de omvang en de complexiteit van het deelgeschil. Voorts voert Delta Lloyd aan dat mr. Linders ten onrechte de reistijd tegen een specialistisch uurtarief in rekening heeft gebracht. Mr. Linders is het met Delta Lloyd eens dat er geen specialistisch uurtarief ten aanzien van de reistijd in rekening kan worden gebracht, maar betoogt dat daar tegenover staat dat hij nog veel uren heeft gemaakt die niet in het door hem overgelegde kostenoverzicht zijn opgenomen. Nu de rechtbank echter geen inzicht is gegeven in deze uren, gaat de rechtbank hieraan voorbij en oordeelt zij dat de kosten die ten aanzien van de reistijd in rekening zijn gebracht eveneens bovenmatig zijn. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de totaal in rekening gebrachte kosten dan ook matigen en de kosten ex artikel 1019aa Rv begroten op € 5.097,96 (17 uur x € 240,– inclusief 5% kantoorkosten en BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 260,–.

5.De beslissing
De rechtbank:

5.1.begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 5.357,96 (inclusief kantoorkosten en BTW);

5.2.wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.