Tussen verzoekers en Medirisk is overeenkomst tot stand gekomen tot begroting van de schade

rechtbank ‘s-Gravenhage 17 augustus 2012, LJN: BX8037
Aansprakelijkheid voor medische fout erkend. Medirisk heeft schaderegelaar ingeschakeld om schade te regelen. Medirisk betwist dat door toedoen schaderegelaar overeenkomst tot stand is gekomen.
Verzoek Rechtbank
 Ontvankelijkheid  4.3. Het (primaire) verzoek strekt ertoe dat de rechtbank voor recht verklaart dat tussen verzoekers en MediRisk een overeenkomst tot stand is gekomen tot begroting van de schade op € 118.000,–. MediRisk c.s. stellen dat verzoekers hiermee in wezen beslechting van het gehele tussen partijen nog resterende geschil verzoeken. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Een beslissing op het verzoek maakt verder onderhandelen over de schade (tot aan de achttiende verjaardag van [B]) weliswaar overbodig, maar over de schade van [B] vanaf zijn 18e jaar zullen nog onderhandelingen moeten volgen. Toewijzing van het verzoek leidt dus niet tot een oplossing van het geheel. Zoals uit het hierna navolgende zal blijken is om een beslissing op het verzoek te kunnen nemen – anders dan MediRisk c.s. betogen – nadere bewijslevering niet noodzakelijk. Met verzoekers is de rechtbank van oordeel dat de relevante feiten middels de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting afdoende zijn komen vast te staan. De rechtbank verwacht dat, nadat een beslissing op het verzoek is gegeven, de buitengerechtelijke onderhandelingen (spoedig) verder kunnen worden voortgezet. Daarmee is het belang van het verzoek van verzoekers gegeven. Dit alles afgewogen tegen de investering in tijd, geld en moeite, bestaat er geen grond om het verzoek op voorhand af te wijzen. De vraag of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een (verdere) minnelijke regeling dient naar het oordeel van de rechtbank, gezien het voorgaande, bevestigend te worden beantwoord. De rechtbank zal derhalve overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
Te verklaren voor recht dat tussen verzoekers en MediRisk op 16 c.q. 22 juni 2011 een overeenkomst tot stand is gekomen tot begroting van de letselschade van [B] tot diens meerderjarigheid op € 118.000,–, althans te verklaren voor recht dat sprake is geweest van de door MediRisk opgewekte schijn dat een dergelijke overeenkomst met haar tot stand is gekomen. 4.4. De vraag die voor ligt is of tussen verzoekers en MediRisk een overeenkomst tot stand is gekomen tot begroting van de schade op een bedrag van € 118.000,–.
4.5. Ingevolge artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding. In beginsel geldt voor de totstandkoming van een overeenkomst geen schriftelijkheidsvereiste en is de wijze van totstandkoming vormvrij.
4.6. Gelet op het debat tussen partijen dient in het kader van de hiervoor weergegeven vraag beoordeeld te worden of tijdens de bespreking op 16 juni 2011 door [C] een aanbod is gedaan om de schade definitief te begroten op € 118.000,– en zo ja, of dit aanbod MediRisk heeft gebonden.
Heeft [C] het aanbod tot begroting van de schade op een bedrag van € 118.000,– gedaan en is een rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen?
4.7. De rechtbank stelt voorop dat [C] ter zitting heeft erkend dat tijdens de bespreking op 16 juni 2011 gesproken is over een bedrag van € 118.000,– in totaal.
4.8. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting afgeleid kan worden dat het voorstel om de schade op een bedrag van € 118.000,– te begroten afkomstig is geweest van [C].
4.9. De rechtbank overweegt hiertoe in de eerste plaats dat Ladrak een uitgewerkte (voorlopige) schadestaat had opgesteld (reeds voor de eerste bespreking op 18 maart 2011 en vervolgens aangepast voor de tweede bespreking op 16 juni 2011), welke schadestaat sloot op een ander bedrag, namelijk € 118.918,55, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf juli 1995 over € 25.000,– aan smartengeld en wettelijke rente overigens. Onder die omstandigheden ligt het niet voor de hand dat Ladrak vervolgens tijdens de bespreking een lager bedrag voorstelt, maar is het veeleer gebruikelijk dat van de zijde van Medirisk door [C] een tegenvoorstel wordt gedaan.
4.10. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat Ladrak ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat [C] het voorstel heeft gedaan, terwijl [C] heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wie het bedrag van € 118.000,– heeft genoemd. De rechtbank acht dit laatste niet geloofwaardig, aangezien ter zitting is gebleken dat [C] zich de gang van zaken tijdens de bespreking voor het overige tot in detail kan herinneren.
4.11. Tot slot leidt de rechtbank ook uit het handelen van [C] in de periode na de bespreking, waaronder het telefoongesprek van 8 juli 2010, alsmede uit de inhoud van zijn e-mail van 13 juli 2011 (r.o. 2.14.) af dat [C] tijdens de bespreking het bedrag van € 118.000,– heeft voorgesteld.
4.12. MediRisk c.s. voeren vervolgens primair als verweer dat sprake is geweest van een uitnodiging tot het doen van een aanbod, omdat het voorstel niet alle essentiële elementen van de overeenkomst bevatte. In dit verband wordt aangevoerd dat er tijdens de bespreking niet is gesproken over de buitengerechtelijke kosten, een af te geven belastinggarantie en/of de verdeling van het bedrag over [B] en verzoekers. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel van [C] heeft te gelden als een geldig aanbod, nu dit met betrekking tot de de begroting van de schade alle essentiële elementen van een overeenkomst bevat. Met verzoekers is de rechtbank van oordeel dat de af te geven belastinggarantie en de verdeling van het bedrag ondergeschikte kwesties van uitwerking van de op te stellen vaststellingsovereenkomst betreffen en los staan van de schadebegroting. Ze tasten de geldigheid van het aanbod van [C] dan ook niet aan.
4.13. Het subsidiaire verweer van Medirisk c.s. dat het aanbod aangemerkt dient te worden als een vrijblijvend aanbod in de zin van artikel 6:219 BW, zodat [C] daar nog op terug mocht komen, slaagt evenmin. Gesteld noch gebleken is dat [C] bij het doen van het aanbod tijdens de bespreking van 16 juni 2011 heeft aangegeven dat het aanbod vrijblijvend was. [C] heeft immers pas op 8 juli 2011 telefonisch aangegeven dat sprake was van een vrijblijvend aanbod en hij heeft het aanbod pas bij e-mail van 13 juli 2011 herroepen. Maar zelfs wanneer een vrijblijvend aanbod zou zijn gedaan, is dit onder de gegeven omstandigheden niet ‘onverwijld’ na aanvaarding door verzoekers herroepen (artikel 6:219 lid 2 BW), zodat een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen.
4.14. Ook aan het meer subsidiaire verweer van MediRisk c.s. dat het aanbod op grond van artikel 6:221 lid 1 BW is komen te vervallen omdat het niet onmiddellijk is aanvaard, gaat de rechtbank voorbij. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat partijen van dit artikel van regelend recht hebben afgeweken en het de bedoeling was dat Ladrak na overleg met verzoekers zou berichten of het door [C] gedane aanbod werd aanvaard.
4.15. Uiterst subsidiair voeren MediRisk c.s. aan dat – gelet op de in de e-mail van Ladrak van 22 juni 2011 opgenomen aanvullende voorwaarden – sprake is geweest van een van het door [C] gedane aanbod afwijkende aanvaarding. Daarmee heeft op grond van artikel 6:225 lid 1 BW (de inhoud van) de e-mail van Ladrak te gelden als een nieuw aanbod en tegelijkertijd als een verwerping van het oorspronkelijke aanbod. Met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor onder r.o. 4.12. heeft overwogen, is zij van oordeel dat, met inachtneming van het Haviltex-criterium, Ladrak het aanbod van [C] heeft aanvaard en aanvullend een (separaat) aanbod heeft gedaan om in het kader van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst enige nog openstaande en niet tijdens de bespreking van 16 juni 2011 aan de orde gekomen punten af te kaarten. Die (ondergeschikte) punten zien op de verdeling van het schadebedrag, de belastinggarantie en de buitengerechtelijke kosten.                                                                                                                                                                                                                                                                      4.16. Gezien het voorgaande is de rechtbank, anders dan MediRisk c.s., van oordeel dat tijdens de bespreking op 16 juni 2011 door [C] een aanbod als bedoeld in artikel 6:217 lid 1 BW is gedaan, welk aanbod tijdig door verzoekers is aanvaard. Dientengevolge is een overeenkomst tot stand gekomen die behelst dat de schade is begroot op een bedrag van € 118.000,–.
Is MediRisk aan de overeenkomst gebonden?
4.17. MediRisk c.s. stellen dat van een volmacht aan [C] geen sprake is geweest en dat [C], net als Ladrak, nog overleg diende te voeren met MediRisk.
4.18. Nu MediRisk c.s. een beroep doen op het ontbreken van een volmacht, dient getoetst te worden aan het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW. Doorslaggevend is of MediRisk de schijn heeft gewekt dat [C] tijdens de bespreking van 16 juni 2011 een volmacht had om namens MediRisk een bindend aanbod van € 118.000,– te doen.
4.19. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het feitelijk handelen van MediRisk dat zij de schijn heeft gewekt dat [C] tijdens de bespreking bevoegd was om haar te vertegenwoordigen en een haar bindend voorstel te doen aangaande de begroting van de schade. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. MediRisk heeft [C] ingeschakeld in verband met de afwikkeling van de schade. [C] heeft ook voortdurend gefungeerd als contactpersoon van MediRisk in verband met de afwikkeling van de schade. Bij de eerdere bespreking van 18 maart 2011 was het de bedoeling dat [D] van MediRisk aanwezig zou zijn. Uiteindelijk is dat vanwege ziekte van [D] niet gebeurd en is uitsluitend [C] aanwezig geweest. Juist omdat [C] alleen bij de bespreking van 18 maart 2011 aanwezig is geweest, heeft hij in zijn brief van 4 mei 2011 aangegeven dat hij de zaak naar aanleiding van de bespreking van 18 maart 2011 uitvoerig met MediRisk heeft besproken. Anders dan MediRisk c.s. betogen, mochten verzoekers daar uit afleiden dat [C] tijdens dit overleg ook heeft besproken tegen betaling van welke bedragen MediRisk bereid was de zaak te regelen. [C] heeft in diezelfde brief een nieuwe bespreking geïnitieerd, waarbij het doel was de schade “in der minne te begroten”. [C] heeft daarbij aangegeven dat hij – in afwijking van de bijeenkomst van 18 maart 2011 – alleen aanwezig zou zijn. Gesteld noch gebleken is dat MediRisk niet met deze gang van zaken instemde. Door [C] alleen naar de bespreking van 16 juni 2011 te laten gaan, welke bespreking – nota bene op aangeven van [C] – tot doel had de schade “in der minne te begroten”, heeft MediRisk de schijn gewekt dat [C] tijdens die bespreking bevoegd was om namens MediRisk schikkingsbedragen te noemen, waar MediRisk vervolgens aan gebonden was. Indien dit niet de bedoeling was, dan had MediRisk dit – al dan niet door [C] tijdens de bespreking van 16 juni 2001 – uitdrukkelijk kenbaar moeten maken. Gesteld noch gebleken is, dat dit is gebeurd. Tot slot is nog van belang dat [C] niet onverwijld heeft gereageerd op de e-mail van Ladrak van 22 juni 2011, waarin werd bericht dat verzoekers instemden met een schadebedrag van € 118.000,– in totaal, terwijl dit – ander dan MediRisk c.s. stellen – onder de gegeven omstandigheden wel van hem had mogen worden verwacht.
4.20. De rechtbank is, anders dan MediRisk c.s., van oordeel dat Ladrak er onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van uit mocht gaan dat [C] bevoegd was tot vertegenwoordiging van MediRisk tijdens de bespreking van 16 juni 2011 en dat hij daartoe een volmacht had.
4.21. Gezien het voorgaande mocht van de zijde van verzoekers en Ladrak redelijkerwijs worden aangenomen dat het door [C] op 16 juni 2011 aanbod namens MediRisk is gedaan.
Conclusie
4.22. Nu uit het bovenstaande volgt dat het aanbod van [C] op 22 juni 2011 is aanvaard, is op dat moment tussen verzoekers en MediRisk een bindende overeenkomst tot stand gekomen tot begroting van de schade op een bedrag van € 118.000,–. De rechtbank zal aldus verklaren voor recht.
Te verklaren voor recht dat MediRisk gehouden is tot vergoeding over te gaan van het in het lichaam van het verzoekschrift omschreven nog openstaande bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 11.828,51.  4.23. Tussen partijen is in geschil of MediRisk gehouden is tot vergoeding van de na maart 2011 door Ladrak aan MediRisk toegezonden declaraties ad € 11.828,51 in totaal. Beoordeeld dient te worden of deze buitengerechtelijke kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn.
4.24. De rechtbank stelt voorop dat de buitengerechtelijke kosten uiteindelijk – voor zover zij voldoen aan artikel 6:96 lid 2 BW – voor rekening dienen te komen van het ziekenhuis als aansprakelijke partij en uitgekeerd dienen te worden door MediRisk. De omstandigheid dat, zoals MediRisk c.s. stellen, niet is gebleken dat verzoekers zelf de kosten hebben voldaan, staat – wat daarvan ook zij – niet aan toewijzing van de verzochte verklaring voor recht in de weg.
4.25. De rechtbank acht het inroepen van deskundige bijstand door verzoekers redelijk. Op dit punt is door MediRisk c.s. ook geen verweer gevoerd.
4.26. Met betrekking tot de omvang van de buitengerechtelijke kosten hebben MediRisk c.s. wel verweer gevoerd. MediRisk c.s. zijn van mening dat de in rekening gebrachte kosten niet redelijk zijn.
4.27. De rechtbank overweegt dat tot op heden een bedrag van € 27.500,– aan buitengerechtelijke kosten door MediRisk is voldaan. Vermeerderd met de na maart 2011 toegezonden declaraties bedragen de buitengerechtelijke kosten circa € 40.000,– in totaal. Gezien het totale schadebedrag ad € 118.000,–, acht de rechtbank deze kosten redelijk. Bovendien dient MediRisk ook nog schadevergoeding over de periode vanaf het bereiken van de 18-jarige leeftijd door [B] te voldoen, terwijl een deel van de gemaakte kosten (de vaststelling van de aansprakelijkheid) ook ten bate van die schade is gemaakt. Voorts dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat dit een complexe en zeer langlopende zaak is. Om die reden kan er ook niet van worden uitgegaan dat de werkzaamheden van Ladrak, hoewel hij lid is van de Vereniging voor Letselschade Advocaten, relatief weinig tijd in beslag nemen, zodat de rechtbank aan dat verweer van MediRisk c.s. voorbij gaat. Ook aan het verweer dat de tijdsbesteding aan correspondentie bovenmatig is, gaat de rechtbank voorbij. De omstandigheid dat Ladrak vanaf juli 2011 tot februari 2012 heeft geprobeerd om MediRisk er van te overtuigen dat zij gehouden was aan de tot stand gekomen overeenkomst, acht de rechtbank – gelet op het belang van verzoekers en [B] bij een spoedige afwikkeling van de zaak – redelijk. Bovendien heeft Ladrak die kosten moeten maken omdat MediRisk weigerde om de tussen haar en verzoekers tot stand gekomen overeenkomst na te komen. De in het kader van dit deelgeschil gevorderde kosten zijn dan ook voor een belangrijk deel het gevolg van de opstelling van MediRisk die achteraf onjuist is. Onder die omstandigheden dienen deze kosten voor rekening van MediRisk te komen. In verband met de overige openstaande declaraties heeft Ladrak ter zitting onbestreden gesteld dat daartegen nimmer inhoudelijk bezwaar is gekomen door MediRisk, terwijl de overige declaraties zonder enig protest (maar wel te laat) zijn vergoed. Onder die omstandigheden heeft MediRisk haar recht verwerkt om tegen deze declaraties nog bezwaar in te dienen en moet zij die kosten vergoeden. In dit verband is nog van belang dat uit de als producties 3 en 8 bij verzoekschrift overgelegde declaraties blijkt dat Ladrak – anders dan MediRisk c.s. stellen – niet voor elke handeling een tijdsbesteding van minimaal 12 minuten in rekening heeft gebracht.
4.28. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek te verklaren voor recht dat MediRisk gehouden is tot vergoeding over te gaan van de nog openstaande buitengerechtelijke kosten ad € 11.828,51 zal worden toegewezen.
De kosten van deze procedure ex artikel 1019aa Rv op de voet van artikel 6:96 BW te begroten op het bedrag van de over te leggen gespecificeerde declaratie. 4.29. Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Of de kosten redelijk zijn, hangt ervan af of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is.
4.30. Niet in geschil is dat de met de onderhavige procedure gemoeide kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.
4.31. Mr. Ladrak stelt blijkens zijn declaratie d.d. 21 juni 2012 € 4.914,52 aan kosten te hebben gemaakt. Daarbij is hij uitgegaan van een honorarium van € 3.719,50 in totaal (rekening houdend met 17:18 uur en een uurtarief van € 215,–), 5% kantoorkosten en 19% btw, te vermeerderen met het betaalde griffierecht ad € 267,–. Nu MediRisk c.s. tegen deze kostenopgave onvoldoende (gemotiveerd) bezwaar hebben gemaakt en de kosten de rechtbank redelijk voorkomen, zal de rechtbank de kosten conform het verzoek van verzoekers begroten op een bedrag van € 4.914,52.

Zowel de aansprakelijkheidverzekeraar als de schaderegelaar moet zich terdege bewust zijn van de juridische betekenis van een regelingsaanbod!