Automobilist moet 80% van schade voetganger vergoeden; geen aanvullend voorschot; vordering tegen Crawford & Company niet-ontvankelijk

Het deelgeschil ziet op een verkeersongeval waarbij een toen 16-jarige voetgangster werd aangereden door een bestelauto terwijl zij een weg overstak om een stilstaande GVB-bus bij een bushalte te bereiken. De auto reed langs de bus en kwam voor de voetgangster van rechts. De voetgangster liep daarbij een gecompliceerde beenbreuk op waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was.

De WAM-verzekeraar van het voertuig is AXA, een buitenlandse verzekeraar. Crawford & Company behandelt de schade namens AXA, maar kan in dit geval niet in rechte worden betrokken. De vorderingen tegen Crawford & Company worden niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank stelt voorop dat de bestuurder en de eigenaar van het motorvoertuig op grond van artikel 185 WVW in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade van een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Van overmacht was geen sprake en daarop is ook geen beroep gedaan. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of en in hoeverre sprake is van eigen schuld aan de zijde van de voetgangster in de zin van artikel 6:101 BW.

Bij de causaliteitsafweging oordeelt de rechtbank dat de voetgangster in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval doordat zij de rijbaan is overgestoken zonder de naderende auto op te merken en zonder deze voorrang te verlenen. De stelling van de automobilist dat de voetgangster plotseling tussen stilstaande bestelbusjes opdook, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Daartegenover stelt de rechtbank vast dat de automobilist met een snelheid van circa 40 km/u is doorgereden langs een stilstaande bus bij een bushalte, terwijl hij rekening had moeten houden met overstekende voetgangers. Daarmee heeft hij zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de verkeerssituatie en onvoldoende voorzichtigheid betracht.

Bij de toepassing van de billijkheidscorrectie weegt de rechtbank zwaar mee dat de voetgangster ten tijde van het ongeval minderjarig was, dat haar een beperkte mate van verwijt kan worden gemaakt en dat zij aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Ook speelt een rol dat de automobilist als bestuurder van een motorvoertuig een verhoogde zorgplicht heeft en verzekerd is. Deze omstandigheden rechtvaardigen een aanzienlijke correctie in het voordeel van de voetgangster.

Alles afwegende stelt de rechtbank de eigen schuld van de voetgangster vast op 20% en bepaalt zij dat 80% van de schade voor rekening komt van de automobilist en de voertuigbezitter. Een aanvullend voorschot op de schadevergoeding wijst de rechtbank af, omdat onvoldoende inzicht bestaat in de omvang van de schade en omdat latere ongevallen mogelijk mede van invloed zijn geweest op de huidige klachten.

De rechtbank verklaart voor recht dat verweerder aansprakelijk is en 80% van de schade dient te vergoeden. Bij de causaliteitsafweging acht de rechtbank van belang dat de automobilist met circa 40 km/u is doorgereden langs een stilstaande bus bij een bushalte en zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie, waardoor hij rekening had moeten houden met overstekende voetgangers. Bij toepassing van de billijkheidscorrectie weegt de rechtbank mee dat verzoekster ten tijde van het ongeval minderjarig was, dat haar slechts een beperkt verwijt kan worden gemaakt, dat zij aanzienlijk letsel heeft opgelopen en dat op de automobilist als bestuurder van een motorvoertuig een verhoogde zorgplicht rust. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat de eigen schuld wordt beperkt tot 20%, zodat de aansprakelijkheid van de automobilist en de voertuigbezitter wordt vastgesteld op 80%.

De rechtbank wijst het verzoek af. Er hebben nog geen deskundigenonderzoeken plaatsgevonden, waardoor er nog geen duidelijkheid is over de beperkingen als gevolg van het ongeval. Er hebben zich na het ongeval nog andere ongevallen voorgedaan, waaronder een ongeval met een scooter en een val van de trap. Er is op dit moment onvoldoende zicht op de schade die verzoekster lijdt als gevolg van het ongeval. 

De rechtbank acht de tijdsbesteding bovenmatig voor een deelgeschil dat feitelijk en juridisch overzichtelijk van aard is. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 20 uur redelijk. De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 6.969,-. Verweerders worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.575,20 (80%). 

Kosten

aantal uren verminderd

Resultaat

toe- en afgewezen