Fietser aansprakelijk gesteld voor ongeval na plotselinge stuurbeweging – schadevergoeding toegewezen

Een fietser raakte gewond bij een inhaalmanoeuvre toen een andere fietser plotseling naar links stuurde zonder te kijken of richting aan te geven. De kantonrechter oordeelde dat de fietser die naar links stuurde aansprakelijk was voor de geleden en nog te lijden schade, omdat zij gevaarlijk rijgedrag vertoonde.

Toegewezen – De kantonrechter beoordeelde op basis van het proces-verbaal van de politie, verklaringen van betrokkenen en de mondelinge behandeling of [verweerster] aansprakelijk was. Vastgesteld werd dat [verweerster] een stuurbeweging naar links maakte zonder om te kijken of richting aan te geven, terwijl [verzoekster] en een andere fietser haar aan het inhalen waren. Door haar onverwachte manoeuvre blokkeerde [verweerster] de doorgang van [verzoekster], waardoor deze ten val kwam en ernstig gewond raakte. De kantonrechter oordeelde dat [verweerster] hiermee in strijd handelde met artikel 18 RVV, dat bepaalt dat een afslaande weggebruiker achteropkomend verkeer moet laten voorgaan, en met artikel 5 WVW, dat gevaarlijk rijgedrag verbiedt. De kantonrechter verwierp de verweren van [verweerster], zoals het argument dat [verzoekster] haar niet had gebeld met de fietsbel, dat er geen directe botsing was, dat [verzoekster] mogelijk te hard reed en dat ze door de schrikreactie zelf viel. Omdat [verweerster] aansprakelijk werd gehouden, moest zij de door [verzoekster] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade vergoeden.

Toegewezen – [verzoekster] had verzocht om vergoeding van de kosten die zij had gemaakt voor het juridische traject, gebaseerd op artikel 1019aa lid 1 Rv, dat bepaalt dat deze kosten moeten worden begroot in letselschadezaken. [verweerster] had hier geen verweer tegen gevoerd. De kantonrechter beoordeelde de opgegeven kosten op redelijkheid en concludeerde dat de gemaakte uren en het uurtarief redelijk waren.

Toegewezen – [verzoekster] had haar proceskosten in eerste instantie begroot op € 3.166,-, bestaande uit: € 2.600,- (10 uur x € 260,-) voor juridische bijstand, btw en griffierecht.  Dit werd later bijgesteld naar € 2.933,- vanwege een lager griffierecht. De kantonrechter vond zowel het aantal uren als het gehanteerde uurtarief redelijk en stelde het bedrag vast op € 2.933,-, inclusief btw.

[verweerster] werd veroordeeld om dit bedrag aan [verzoekster] te betalen.

Kosten

kosten geheel toegewezen

Resultaat

toegewezen