verzoek ziet in essentie niet op deskundigenbericht, dus wel kostenbegroting en -veroordeling

rechtbank Noord-Holland 25 juli 2013, rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor aanrijding erkend. Het verzoek betreft volgens rechtbank de vraag of neurologisch dan wel neuropsychologisch onderzoek het meest aangewezen is. Het betreft dus niet een deskundigenonderzoek als bedoeld in art. 202 RV. Tijdens zitting hieromtrent overeenstemming bereikt. Geen oneigenlijk gebruik deelgeschilprocedure, dus kostenveroordeling. 
Verzoek Rechtbank
 Betreft aspecten van te verrrichten deskundigenonderzoek. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over het door [eiser] sub 1 tot en met 7 van zijn petitum in conventie verzochte en het door Nationale Nederlanden in reconventie verzochte (wat voor soort onderzoek, welke persoon als deskundige, tijdspad van het onderzoek, aan de deskundige te stellen vragen, bevel tot medewerking aan het deskundigenonderzoek), zodat daarover geen oordeel van de rechtbank meer nodig is.
Begroting en vergoeding van kosten deelgeschilprocedurekosten. Over de verzochte vergoeding van de griffierechten en de volledige kosten van de advocaat van [eiser] (petitum sub 8 en 9) hebben partijen ter zitting geen overeenstemming bereikt. Ze hebben de rechtbank verzocht daarover een beslissing te nemen.
De rechtbank ziet niet in dat het enkele feit dat er ook een andere procedure dan een deelgeschilprocedure mogelijk zou zijn op zichzelf reeds zou moeten leiden tot afwijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten (nihilstelling). Deze opvatting verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de keuze voor een ruim toepassingsgebied van de deelgeschillenprocedure zoals terug te vinden is in de Memorie van Toelichting (”het toepassingsgebied van de deelgeschillenprocedure is niet beperkt tot specifieke verrichtingen”). Bepalend is of een verzoek voldoet aan de randvoorwaarden die voor de deelgeschillenprocedure zijn gesteld: een stagnatie in de buitengerechtelijke onderhandelingen die gericht zijn op het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, een snelle beslissing van de rechter op een beperkt aantal geschilpunten, zodat partijen weer verder kunnen met hun onderhandelingen.
Nationale Nederlanden kan worden toegegeven dat, indien en voor zover het verzoek van [eiser] in feite zou neerkomen op een volledig voorlopig deskundigenonderzoek zoals neergelegd in artikel 202 tot en met 207 Rv het geschil niet geschikt zou zijn voor behandeling in een deelgeschillenprocedure. Dat is hier echter niet het geval. Het verzoek van [eiser] is in essentie bedoeld om een struikelblok in de gestagneerde onderhandelingen uit de weg te ruimen door beantwoording van de vraag of onder de gegeven omstandigheden een neurologisch dan wel een neuropsychologisch onderzoek het meest aangewezen is en of het initiëren van het ene onderzoek afhankelijk moet worden gesteld van de uitkomsten in het andere onderzoek. Het verzoek is er verder (bijkomend) op gericht om te bewerkstelligen dat partijen, met inachtneming van het oordeel van de rechter, zelf de deskundige zullen benaderen en het onderzoek in gang zullen zetten en afhandelen. Met het oordeel over soort onderzoek, persoon van de deskundige, te stellen vragen en tijdspad is voor de rechtbank de kous af. De rechtbank is niet verzocht om de coördinatie van de totstandkoming en financiële afhandeling van het deskundigenbericht op zich te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank past dit verzoek binnen de randvoorwaarden van een deelgeschilprocedure.
De stelling van Nationale Nederlanden dat sprake is van oneigenlijk gebruik van de deelgeschillenprocedure omdat het aan de rechtbank voorgelegde verzoek in essentie het gelasten van een deskundigenonderzoek zoals bedoeld in artikel 202 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreft, wordt, gelet op het voorgaande, verworpen.
Nu ook niet gezegd kan worden dat de omvang van het verzochte te veelomvattend is om binnen de beperkingen van de deelgeschillenprocedure te beoordelen en evenmin dat het deelgeschil onnodig of onterecht is opgeworpen (partijen hebben ter zitting immers zelf het onder 3.5 geschetste struikelblok uit de weg geruimd) verwerpt de rechtbank de stelling van Nationale Nederlanden dat [eiser] de deelgeschillenprocedure onnodig of onterecht heeft ingesteld.
De rechtbank zal, gelet op al het voorgaande, bepalen dat de volledige proceskosten van [eiser] voor rekening van Nationale Nederlanden komen, en zal deze ook begroten. Nu de aansprakelijkheid van Nationale Nederlanden vast staat, zal de rechtbank Nationale Nederlanden bovendien veroordelen tot betaling van de proceskosten aan [eiser].

Nationale Nederlanden heeft zich niet verzet tegen het door [eiser] gestelde bedrag aan salaris advocaat (na wijziging eis een bedrag van € 4.843,79). Het uurtarief en het aantal uren zoals vermeld op bijlage 13 bij de brief van 31 mei 2013 komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal dit bedrag daarom overnemen. Nationale Nederlanden zal ook worden veroordeeld in de door [eiser] betaalde griffierechten van € 274,00. Uit een en ander volgt dat de totale proceskosten van [eiser] zullen worden begroot op het bedrag van € 5.117,79.

Omdat het verzoek niet  duidelijk wordt weergegeven in de uitspraak, valt helaas niet na te gaan of het inderdaad iets wezenlijk anders is dan een verzoek om het gelasten van deskundigenonderzoek.