Categorie Eigen schuld (art. 6:101 BW)

Wegbeheerder aansprakelijk voor ongeval na noodstop voor een schrikhek op de weg

Bij asfalteringswerkzaamheden kort voor een rotonde maakt bestuurder WA-verzekerde voertuig een noodstop voor een schrikhek dat op de weg stond. Deze bestuurder brengt zijn voertuig tijdig tot stilstand. Achteropkomende verzoeker niet, waarna er een aanrijding ontstaat met letselschade als gevolg. Verzoeker stelt wegbeheerder en WA-verzekeraar aansprakelijk. De rechtbank meent dat er geen aansprakelijkheid is aan de zijde van de WA-verzekeraar. Wel aan de zijde van de wegbeheerder, met tevens eigen schuld. 

Deelgeschil na mishandeling in Oostenrijk: hoofdelijke aansprakelijkheid vastgesteld, schadeomvang vergt nader onderzoek

Verzoeker heeft letsel opgelopen als gevolg van een mishandeling door verweerders in een shoarmazaak in Oostenrijk. De kantonrechter verklaart voor recht dat verweerders aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de mishandeling. De kantonrechter laat zich niet uit over de omvang van de schade, omdat daarvoor nog niet voldoende informatie voorhanden is. 

Automobilist moet 80% van schade voetganger vergoeden; geen aanvullend voorschot; vordering tegen Crawford & Company niet-ontvankelijk

Het deelgeschil ziet op een verkeersongeval waarbij een toen 16-jarige voetgangster werd aangereden door een bestelauto terwijl zij een weg overstak om een stilstaande GVB-bus bij een bushalte te bereiken. De auto reed langs de bus en kwam voor de voetgangster van rechts. De voetgangster liep daarbij een gecompliceerde beenbreuk op waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was.

De WAM-verzekeraar van het voertuig is AXA, een buitenlandse verzekeraar. Crawford & Company behandelt de schade namens AXA, maar kan in dit geval niet in rechte worden betrokken. De vorderingen tegen Crawford & Company worden niet-ontvankelijk verklaard. 

De rechtbank stelt voorop dat de bestuurder en de eigenaar van het motorvoertuig op grond van artikel 185 WVW in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade van een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Van overmacht was geen sprake en daarop is ook geen beroep gedaan. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of en in hoeverre sprake is van eigen schuld aan de zijde van de voetgangster in de zin van artikel 6:101 BW.

Bij de causaliteitsafweging oordeelt de rechtbank dat de voetgangster in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval doordat zij de rijbaan is overgestoken zonder de naderende auto op te merken en zonder deze voorrang te verlenen. De stelling van de automobilist dat de voetgangster plotseling tussen stilstaande bestelbusjes opdook, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Daartegenover stelt de rechtbank vast dat de automobilist met een snelheid van circa 40 km/u is doorgereden langs een stilstaande bus bij een bushalte, terwijl hij rekening had moeten houden met overstekende voetgangers. Daarmee heeft hij zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de verkeerssituatie en onvoldoende voorzichtigheid betracht.

Bij de toepassing van de billijkheidscorrectie weegt de rechtbank zwaar mee dat de voetgangster ten tijde van het ongeval minderjarig was, dat haar een beperkte mate van verwijt kan worden gemaakt en dat zij aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Ook speelt een rol dat de automobilist als bestuurder van een motorvoertuig een verhoogde zorgplicht heeft en verzekerd is. Deze omstandigheden rechtvaardigen een aanzienlijke correctie in het voordeel van de voetgangster.

Alles afwegende stelt de rechtbank de eigen schuld van de voetgangster vast op 20% en bepaalt zij dat 80% van de schade voor rekening komt van de automobilist en de voertuigbezitter. Een aanvullend voorschot op de schadevergoeding wijst de rechtbank af, omdat onvoldoende inzicht bestaat in de omvang van de schade en omdat latere ongevallen mogelijk mede van invloed zijn geweest op de huidige klachten.

Val over puntige plantenbak op weekmarkt: gemeente Beverwijk aansprakelijk, geen eigen schuld

Verzoekster is tijdens de weekmarkt in Beverwijk gevallen over een uitstekende punt van een metalen plantenbak die langs de looproute was geplaatst. De gemeente betwistte de toedracht, maar de kantonrechter stelde op basis van verklaringen, medische stukken en de melding kort na het ongeval vast dat verzoekster daadwerkelijk over de punt van de plantenbak is gevallen.

De kantonrechter oordeelt dat de plantenbak een opstal is in de zin van artikel 6:174 lid 4 BW en dat de gemeente daarvan bezitter is. Hoewel de plantenbak geen onderdeel vormt van de openbare weg, moet worden beoordeeld of deze uit veiligheidsoogpunt voldeed aan de eisen die men daaraan mocht stellen. Daarbij betrekt de kantonrechter ook het toetsingskader van artikel 6:162 BW, omdat beide normen in deze zaak grotendeels samenvallen.

Volgens de kantonrechter was sprake van een gevaarlijke situatie. De punt van de plantenbak liep ver uit, viel nauwelijks op door de kleur en vorm en bevond zich langs een door de gemeente ingerichte looproute tijdens een drukke weekmarkt, waar niet steeds maximale oplettendheid van voetgangers mag worden verwacht. Daarbij weegt zwaar dat de gemeente al eerder meldingen had ontvangen van vergelijkbare valpartijen en dus bekend was met het risico. Eenvoudige veiligheidsmaatregelen, zoals markering of het plaatsen van paaltjes, waren mogelijk en niet bezwaarlijk.

Omdat de gemeente geen maatregelen heeft getroffen, voldoet de plantenbak niet aan de veiligheidseisen en is sprake van een gebrekkige opstal dan wel gevaarzetting. Het beroep op eigen schuld faalt, nu niet is gebleken dat verzoekster onvoorzichtig handelde of rekening had moeten houden met een onopvallende uitstekende punt. De kantonrechter verklaart de gemeente aansprakelijk en wijst tevens de kosten van het deelgeschil toe.